Prijs der Nederlandse Letteren.

Juryrapport

De jury, door de Minister van Openbaar Onderwijs te Brussel en de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen te 's-Gravenhage aangewezen om een voordracht in te dienen voor de toekenning van de Prijs der Nederlandse Letteren 1956, heeft eenstemmig besloten de schrijver Herman Teirlinck ter bekroning voor te dragen.

Herman Teirlinck mag bogen op een vruchtbare litteraire loopbaan. Te dezer gelegenheid is het niet ongepast de titels van zijn voornaamste werken in herinnering te brengen: Verzen (1900), De wonderbare wereld (1902), Het stille gesternte (1903), 't Bedrijf van den kwade (1904), De Doolage (1905), Zon (1906), Mijnheer J.B. Serjanszoon (1908), Het ivoren aapje (1909), Johan Doxa (1917), De leemen torens (in samenwerking met Karel v.d. Woestijne) (1928), Maria Speermalie (1940), Rolande met de bles (1944), Het gevecht met de engel (1952), Zelfportret of het galgemaal (1955). Aan toneelwerken bracht hij: De vertraagde film (1922), Ave (1923), Ik dien (1924), De man zonder lijf (1925), Elkerlyc (1927), De ekster op de galg (1937).

Het volledige oeuvre van Herman Teirlinck ontleden en bespreken zou een uitgebreide studie vergen en niet louter de letterkundige aspecten van zijn werk zouden daarbij de aandacht opeisen; esthetische sociale en psychologische motieven - somtijds zo grillig en kunstig door elkaar geweven - zijn immers in zijn geschriften aanwezig. Hij beschrijft en analyseert; hij typeert en fantaseert. Al deze facetten zouden, het ene al meer dan het andere, een omvangrijk studiemateriaal leveren en er toe bijdragen, niet enkel de litteraire waarde, doch eveneens de geest van een tijd in een deel van onze gewesten te bepalen.

Wie veel geschreven heeft - wat voor Herman Teirlinck het geval mag heten - stelt zich bloot aan een wel eens onbillijke kritiek. De op vitten beluste recensent zal - in ieders werk - makkelijk de zwakke plekken vinden, gemaniëreerdheden en gedachtenkronkels die hem niet bevallen en zijn wrevel wekken. Want vooropgezet zal hij gaarne zijn bewijsmateriaal bij elkaar zoeken in die fragmenten van het oeuvre, waarin de kunstenaar le défaut de ses qualités al te vrijmoedig aan het oordeel van zijn lezer prijsgeeft. Herman Teirlinck is in hoge mate een fantast en als zodanig avontuurlijk aangelegd, onbevreesd om een onthutsende details belang te hechten. Zij die hem realistisch ingesteld naderen en kwaadwillig die details tegendraads willen interpreteren, kunnen het hem lastig maken. Doch meteen hebben ze daarmee het bewijs geleverd, dat ze ongevoelig zijn voor zijn artistiek en intellectueel klimaat.

Herman Teirlinck is een nonconformist. Hij houdt zich op afstand van de dingen en gebeurtenissen. Van de drempel af werkt hij een blik in de taveerne; eveneens van de drempel af kijkt hij rond in de boskapel. In een grote stad heeft hij de val der engelen bijgewoond. Hij is met de oude Bruegel, in boerenkleren vermomd, ter kerms getogen om het litteken der armtierigheid van de tronies des kermisklanten af te lezen. Hij onderricht, hij moraliseert niet. De maskerade trekt aan hem voorbij. Hij glimlacht, als is hij wellicht diep ontroerd. Een aristocratisch pudeur gaat van hem uit en schrijvende verschuilt hij zich wel eens achter boutaden.

Het besluit van de jury om Herman Teirlinck ter bekroning voor te dragen steunt op de navolgende overwegingen.

Zij bewondert de onverzwakte, voortdurende scheppingskracht van Herman Teirlinck die, na zoveel ouder belangrijk werk. nog op zijn 73e jaar in 1952 een werk van bijzondere litteraire verdiensten. Het gevecht met de engel, publiceerde en drie jaar later, in 1955, de geheel anders geaarde psychologische roman, eveneens van hoge litteraire rang, Zelfportret of het galgemaal.

De jury heeft bij haar voorstel tot bekroning in de eerste plaats het oog gericht op de monumentale epische grootheid van Het gevecht met de engel.

Het gevecht met de engel biedt een schouwspel, dat in 1343 begint en in de jaren 1940 eindigt; elk gebeuren wordt nauwkeurig gedateerd en gelocaliseerd. De auteur, met zijn gevoelige zintuiglijkheid en zijn liefde voor barokke schoonheid, schonk, in een verzorgde litteraire vorm, een tegenstelling van oer-natuur en decadentie.

De evocatie van het Zoniënwoud is een machtige achtergrond geworden waar scherp tegen afgetekend de menselijke strijd geleverd wordt. Het karakter van de personages is vaak met extreme felheid uitgebeeld. En er is ook de mythe van de tijd, die aller leven doet gloeien en verbleken.

De compositie vertoont niet zozeer een willekeurige, grillige bouw, doch een complexe bouw als van een kathedraalvenster met vele afzonderlijke, kleurige gehelen die in hun verscheidenheid het grote uiteindelijk verlangde geheel helpen construeren.

De jury was het er over eens, dat voor de eerste maal de Prijs der Nederlandse Letteren moest worden uitgereikt aan een figuur waarnaar Noord en Zuid eensgezind opzien. Zij looft in de bekroonde een persoonlijkheid die er in ruime mate toe bijgedragen heeft om de fierheid van de Nederlandse stam op cultureel en artistiek gebied te helpen rechtvaardigen.

De jury,
Maurice Gilliams, lid en voorzitter
Jan Engelman,
Karel Jonckheere,
prof. dr. P. Minderaa, leden
prof. dr. G. Stuiveling,
R. de Meijer,
H.J. Michael, secretarissen

Brussel/'s-Gravenhage.
24 oktober 1956