Laureaten

Prijs der Nederlandse Letteren is sinds 1956 toegekend aan de volgende schrijvers:

Juryrapport

Als geen ander Nederlandstalig schrijver heeft Hugo Claus in de afgelopen bijna veertig jaar een literair oeuvre opgebouwd dat gekenmerkt wordt door veelzijdigheid, omvang en kwaliteit.

Het omvat gedichten, romans, verhalen, toneelspelen, essays, libretto's en scenario's, die gespreid zijn over ruim honderd afzonderlijke publikaties. Tegelijk bouwde Claus zich een grote reputatie op als moderniserend bewerker en vertaler van de klassieke literatuur (o.a. Euripides en Seneca), van de oudere Westeuropese literatuur (o.a. Shakespeare, Cyril Tourneur, Fernando de Rojas, Georg Büchner) en van de literatuur uit deze eeuw (o.a. Fernand Crommelynck, Jacques Audiberti, Samuel Beckett, Dylan Thomas), waarbij hij meer dan eens vrijwel onbekende teksten in ons taalgebied heeft geïntroduceerd. Daarenboven was hij ook bedrijvig als toneel- en filmregisseur, en als beeldend kunstenaar. In de meeste van de door hem beoefende genres heeft hij werken voortgebracht die tot het beste behoren dat na de Tweede Wereldoorlog in de Nederlandse literatuur is verschenen. Onbetwistbare toppunten daarin zijn de dichtbundels De Oostakkerse gedichten, Heer Everzwijn en Van horen zeggen, de verhalenbundel De zwarte keizer, de romans De Metsiers, Omtrent Deedee, De Verwondering en zijn recente magnum opus Het verdriet van België, benevens de toneelstukken Een bruid in de morgen, Suiker, Vrijdag en Thyestes. Zowel de kwaliteit als de omvang en de diversiteit van zijn theaterwerk maken Claus tot de grootste Nederlandse toneelschrijvers na 1950.

Bij het schetsen van de betekenis en de waarde van een literair oeuvre kan men uitgaan van de thematiek. Dan constateert men dat de grote thematische lijnen die door het hele werk van Claus lopen, de verhouding tot de moeder en de vader, tot de vrouw, de familie en de hele maatschappij betreffen: verhouding die in hoge mate complex en ambivalent zijn, gekenmerkt worden door de spanningen tussen ernst en spel, eerlijkheid en leugen, liefde en haat, leven en dood, en die relaties worden door Claus onveranderlijk in Freudiaanse zin geïnterpreteerd. Maar deze opsomming blijft een dode letter, zolang men er zich niet van bewust is dat dit netwerk van abstracte motieven geïntegreerd is in de levende concreetheid van het taalkunstwerk waarin en waardoor het zijn dwingende betekenis en overtuigingskracht krijgt. Men dient ook oog te hebben voor de enorme verscheidenheid aan literaire middelen waarmee Claus te werk gaat. Wat de poëzie betreft beheerst hij een brede scala van uitdrukkingsmogelijkheden: van liefdesgedicht tot satire, van grafgedicht tot tijdzang, van puntdicht tot lange cyclus, van episch-historische verbeeldingen tot didactische gelegenheidsverzen. Ingewikkelde, erudiete poëzie schrijft hij even gemakkelijk als directe gedichten vol agressieve maatschappijkritiek. Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor zijn proza. Complexe meervoudig geslaagde romans als De verwondering, Schaamte en Het verdriet van België, die op verschillende, zowel realistische als mythische en symbolische niveaus gelezen kunnen worden, wisselen af met rechtlijnige romaneske liefdesverhalen als Het jaar van de Kreeft. En ook binnen die werken is er een verbluffende variëteit van stijlen en taalregisters. Op het gebied van het theater staan romaneske tragedies als Een bruid in de morgen , naturalistische melodrama's als Suiker, absurdistische stukken als Mama, kijk zonder handen! en politieke satires als Leopold II naast elkaar. Maar zelfs deze formele verscheidenheid en virtuositeit zouden nog niet tot grootheid leiden zonder de fenomenale taal- en expressiekracht waarvan Claus doorlopend getuigt.

Als een heel bijzonder aspect van het werk geldt dat de sterke ik-betrokkenheid ervan in de breedte en de diepte wordt verruimd door de cultuurbronnen waaraan die ik-betrokkenheid zich voedt en op een persoonlijke manier incorporeert. Als geen ander modern Nederlands auteur put Claus, wiens belezenheid verbazingwekkend is, uit de antieke en joods-christelijke overlevering, de mythologie en de bijbel, archaïsche mysteriegodsdiensten en vegetatiemythen, evengoed als uit de profane geschiedenis en de wereldliteratuur. Deze reusachtige voorraadkamer van verhalen, patronen en symbolen gebruikt hij op een syncretistische, eigenzinnige en creatieve manier als bouwmateriaal voor zijn eigen werk, dat zodoende een originele versmelting van traditie en modernisme te zien geeft.

In de afgelopen decennia heeft Hugo Claus een prominente rol vervuld zowel in de Vlaamse als uin het geheel van de Nederlandse literatuur. Een belangrijk deel van zijn werk wortelt in de Vlaamse bodem en is Vlaams in stijl en taalgebruik, maar tegelijk neemt het, soms op experimentele wijze, internationale stof en technieken in zich op. Claus nam deel aan de Vlaamse avantgardebeweging van Tijd en Mens, maar steeg daar onmiddellijk boven uit; voorts was hij ook betrokken bij de Nederlandse revolutionaire beweging van de Vijftigers en de internationale Cobra-groep. En van daaruit heeft hij, voortzettend en afbrekend, scheppend en assimilerend, zijn stempel gedrukt op de verdere ontwikkeling van de Nederlandse literatuur. Hij heeft daarbij, meer bepaald ten aanzien van een idealistisch Vlaams imago, een verstorende en ontluisterende anti-stem laten horen. Een groot schrijver bevestigt noot het bekende, maar keert het bekende in het bevreemdende en het schokkende om. Zijn optreden wordt gekenmerkt door het loslaten van de gangbare principes, het overhoop gooien van gezichtspunten, visies en systemen. Zo geeft Claus in de roman Omtrent Deedee en het toneelstuk Interieur een vlijmende rituele voorstelling van de tegenstelling tussen christendom en heidendom, die beslist niet in het voordeel van het eerstgenoemde uitvalt. Hij laat er al het ware de dionysische achterkant van het kruis zien. De verwondering, zowel bewustzijnsromans als symbolische queeste, verbindt een oedipale psychologische thematiek met een politieke, waarin met het Vlaamse fascisme wordt afgerekend. Het verdriet van België hangt een magistrale carnavaleske en karikaturale lachspiegel op van een land getekend door de middelmaat. 'Geen enkele Vlaamse roman', aldus de criticus Paul Claes, 'registreert zo getrouw, zo genadeloos ook, de duizenden zegswijzen, dooddoeners, gemeenplaatsen van ons volk'.

Deze enkele karakteristieken mogen een idee geven van de uitzonderlijke artistieke maat en literaire betekenis van het oeuvre van Hugo Claus dat bovendien ook in het buitenland meer en meer wordt gewaardeerd als een geheel eigen bijdrage van de Nederlandse Letteren aan de Europese literatuur. Naar het eenparige oordeel van de jury was hij dan ook de auteur aan wie op dit ogenblik voor de belangrijkste literaire prijs in ons taalgebied niet kon worden voorbijgezien.

Dr. L. Simons, lid en voorzitter
Drs. T. van Deel,
Prof. K. Fens,
Dr. A.M. Musschoot,
Prof. Dr. A.L. Sötemann,
Prof. Dr. P. de Wispelaere, leden
W. Duthoy, secretaris.