Prijs der Nederlandse Letteren.

Dankwoord

'Ik durf mezelf een gelukkig mens te noemen.

Majesteit, Excellenties, vrienden, geachte aanwezigen,

Ik durf mezelf een gelukkig mens te noemen. Ik zou me ook geen betere gelegenheid en geen mooiere plek kunnen wensen om mijn zegeningen te tellen dan die waar ik me nu bevind.

Ik heb het geluk gehad geboren te worden en op te groeien op Java, waar mijn zintuigen ontwaakt en gevoed zijn met gloed en kleur, met dimensies van landschappen, de dichtheid en veelvormigheid van vegetatie en met de wezenlijke elementen van een samenleving, die ook het meest kleinschalige ziet als een deel van een oneindig veel groter onkenbaar geheel van tijd en ruimte. Dat alles is van bepalende invloed geweest op mijn bewustzijn.

Ik heb het geluk gehad op te groeien in een omgeving en een tijd waarin lezen en schrijven, de omgang met taal, goed taalgebruik als de onmisbare component van helder denken, bij uitstek beschouwd werden als de basis van geestelijke ontwikkeling en volwassen leven. Zonder helder denken kan er immers geen vrijheid van meningsuiting bestaan, hebben communicatie en discussie geen zin. Taal heeft alles te maken met rede. Door de taal zijn wij redelijke wezens. Waar de taal verschraalt of verloedert, jargon of clich� wordt, gaat de kwaliteit van communicatie verloren, ontstaat spraakverwarring. In dienst van troebel, onzindelijk denken, machtsdenken, kan taal een levensgevaarlijk instrument worden. Toch is er uiteindelijk geen beter verweer dan kritische helderheid, met zelfbeheersing uitgesproken of opgeschreven.

Door de kunst van het vertalen krijgt iedere taal toegang tot andere taalgebieden. Dit is van een onschatbaar groot belang voor het over en weer verduidelijken van woorden en begrippen die het wezen, de eigenaardigheid van de volken uitdrukken. Hoe belangrijk die bemiddeling is en hoe hoog de eisen zijn die het vertalen stelt, heb ik van nabij ervaren in het contact met meesters in het vak. Goed vertalen is een bijzondere vorm van literaire arbeid.

'Als kind werd ik aangewakkerd in mijn lees- en schrijflust.'
In de omgang met taal heeft literatuur voor mij van jongsaf een beslissende rol gespeeld. Alweer een geluk: als kind werd ik nooit belemmerd, maar integendeel aangewakkerd in mijn lees- en schrijflust. Op de middelbare school heb ik het Nederlands, onze taal, die in de kolonie met bijzondere zorg onderwezen werd, leren kennen in al zijn rijkdom: de middeleeuwse liederen, fabels en abele spelen, de barokke pracht van Hooft en Vondel, de warmbloedige directheid van Breeroo, het vroeg-negentiende eeuwse vertelplezier van Jacob van Lennep, het revolutionaire parlando van Multatuli, de beheerste, maar emotioneel geladen weergave van de Haagse bourgeoisie in het werk van Couperus, de grote Zuid-Nederlandse, Vlaamse, proza�sten Teirlinck, Walschap, Elsschot en de grote Noord-Nederlandse dichters Gorter, Leopold, Roland Holst, Slauerhoff.

En tegelijkertijd, naarmate de vaardigheid in het lezen van de moderne talen toenam (ook dat gold toen nog als een prioriteit in het onderwijs) werd er voor mij een ontzaglijk gebied ontsloten van niet te tellen zoveel individuele uitzichten en invalshoeken, de wereld weerspiegeld en vormgegeven, vanuit het bewustzijn en temperament van schrijvers, denkers, dichters in heden en verleden.

Er werd iets wakker in me, er groeide een noodzaak, die me nooit meer heeft verlaten. Gehoorzamen aan die innerlijke drang was een intense vorm van geluk, naar binnen gekeerd leven in zwermen van idee�n en beelden, niet alleen die vanuit de buitenwereld kwamen instromen, maar ook en vooral, die in mijzelf ontstonden en tekst wilden worden. Lang was ik blind voor de schaduwzijde van dat geluk: de eenzelvigheid die, zoals wel gezegd wordt, een kenmerkende eigenschap is van schrijvers en in het algemeen van kunstenaars. Daarom is het misschien mijn grootste geluk geweest, dat ik in genegenheid, liefde en respect voor de mensen die me het naast zijn, die eenzelvigheid - die een mens tot buitenstaander maakt - heb kunnen doorbreken.

'Het gaat om de dingen die gezien worden.'
De excentrieke en eigenzinnige dichteres Gertrud Stein heeft ooit, toen men haar vroeg wat voor haar het wezen van creativiteit was, kort en krachtig geantwoord : "It is the things seen, and that makes a composition." Het gaat om de dingen die gezien worden en die vormen samen een compositie. Maar "to see" is hier meer dan kijken alleen: het is het zoveel meer omvattende waarnemen. "That makes a composition". Het "maken" dat Stein bedoelt is het Griekse "poiein". Degene die maakt, de maker, de ποιετησ, de po�et, is d� dichter, die het in de concrete werkelijkheid of in de verbeelding waargenomene onder woorden brengt. Ook de schrijver van proza is in die zin po�et, omdat hij aan po�ticale wetten gehoorzaamt, door associaties en spiegeleffecten, door de manier waarop hij zijn thema's varieert, en door de taal waarin hij tussen de regels en achter de woorden betekenissen oproept die niet te beschrijven zijn.

Dat de "po�et" in mij herkend is door lezers, die al lezend mijn werk hebben meegemaakt in hun bewustzijn, en die me begeleid hebben met hun aandacht en trouw, beschouw ik als een zeldzaam geluk. Die lezers - meer dan ik ooit had durven verwachten - zijn mijn verwanten. Nu weet ik, dat ik ook de Nederlandse Taalunie en de leden van de jury die mij tot laureaat van deze prachtige, ultieme prijs hebben gekozen, tot mijn familie mag rekenen. Ik dank u uit de grond van mijn hart voor de bezegeling van een verbond dat al duurt zolang ik leef.

En dat ook U, Majesteit, blijkens Uw woorden, tot mijn lezers behoort, geeft aan het geluk van deze dag een bijzondere glans.