Prijs der Nederlandse Letteren.

Juryrapport

Een groot schrijver is voor iedere lezer weer een andere schrijver.

Zo is het precies met Nooteboom - iedereen heeft zijn eigen Nooteboom. De één zweert bij Philip en de anderen, het vernieuwende debuut uit 1955. De ander ziet Rituelen, de grote roman uit 1980, als de kern van het schrijverschap. Sommigen bewonderen Nooteboom om zijn stijl: de lichte, verfijnde en kronkelende, poëtische Nooteboom-toets die veel wijsheid verraadt en zwaarmoedigheid relativeert. Anderen prijzen juist de filosofische diepgang van het oeuvre waarin het menselijk bestaan op allerlei manieren tegen het licht wordt gehouden. Het wonderlijke is dat al deze Nootebooms schuilgaan in een opvallend consistent oeuvre, waarin enkele grote thema's steeds terugkomen.

'Schijn en wezen' is misschien wel de kortste samenvatting van dat oeuvre. Wezen, omdat het een warm oeuvre is, waarin een zoektocht gaande is naar de mens en naar het wezen van het menselijk bestaan. Naar liefde misschien wel. Zo zijn Nootebooms verhalen en romans, en uiteraard ook zijn reisverhalen, geworteld in de werkelijkheid, waarvan hij een nauwgezette, scherpe observator is. Hij doet de geschiedenis recht, zoals in Allerzielen (1998), de roman die in de pers een 'mijmerboek' werd genoemd, maar die zich ook afspeelt in het maar al te echte Berlijn na het vallen van de muur. Schijn, omdat het ook steeds weer gaat om wat mensen met hun verbeelding, mythologie en kunst van hun wereld maken. Het historische Berlijn mag dan een rol spelen in Allerzielen, onder die stad liggen de metrogangen die de onderwereld symboliseren. Dat is kenmerkend voor de wijze waarop Nooteboom realiteit en mythologie aan elkaar knoopt. De wereld wordt herschikt in de fabelachtige structuren van de verbeelding. Zijn personages trachten de dingen betekenis te geven, in het volle besef dat hun 'wezen' onbereikbaar blijft.

Neem Inni uit Rituelen, die alle mythische omzwervingen ten spijt, maar geen betekenis kan ontwaren in de dingen om hem heen, en die zelf ook 'een gat' blijft. Net zomin als Orpheus levert het deze helden veel op wanneer ze afdalen in de onderwereld: hun gestorven geliefden kunnen ze er niet mee terughalen. Dat kan wel door herinneringen, al laten die zich maar moeilijk ordenen. De derde, veel geciteerde zin in Rituelen vat het aforistisch samen: 'Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil'. Wat in het geheugen bewaard blijft is een ordeloze, chaotische massa van gebeurtenissen zonder verband die willekeurig kunnen opduiken maar die telkens te maken hebben met de concrete politieke en sociale geschiedenis. Rituelen brengt een mengeling van reflectie en gebeurtenissen en geeft in de structuur iconisch aan dat heden en verleden ordeloos door elkaar lopen: niet toevallig begint het met een 'intermezzo'. Het eerste hoofdstuk speelt zich af in 1963, het tweede in 1953, het derde in 1973. Elementen die terugkeren in de geschiedenis, al dan niet in gewijzigde vorm: Nooteboom noemde het 'het rijmen van de geschiedenis'. Maar hetzelfde gebeurt ook met plaatsen, ruimtes en culturen. Gebeurtenissen uit diverse tijdperken spiegelen elkaar en heffen de tussenliggende tijd op. De tijd is amorf, chaotisch, niet te vatten. Alleen foto's wekken even de schijn het wezen van de dingen vast te kunnen leggen. 'Ik geloof niet in geesten, maar wel in foto's', heet het in de nieuwste bundel 's Nachts komen de vossen (2009).

Wat het betekent om herinneringen vast te leggen, in foto's of in verhalen, is al vanaf het begin een onderwerp voor Nooteboom. Vanaf het dromerige debuut, Philip en de anderen, tot de meest recente verhalenbundel wordt het realisme steeds doorkruist met reflectie over de betekenis van het vertellen zelf. Inmiddels is dat inbouwen van reflecties over het vertellen van het verhaal gemeengoed geworden. Maar in 1955 was die versplintering en ondermijning van de realistische vorm nog nieuw. Het boek is nog steeds de favoriet van de Duitse filosoof Rüdiger Safranski, een groot kenner van Nootebooms oeuvre. De tweede roman, De ridder is gestorven (1963), waarin de ik-figuur zich uitsplitst in een figuur die over zichzelf kan vertellen, mag vanuit het standpunt van vandaag een typisch Nooteboom-boek heten. Ook hier staat de spanning tussen realiteit en verbeelding centraal. De consequentie van dit denken over de relativiteit van het begrip 'tijd' is te vinden in de kleine, meesterlijke novelle Een lied van schijn en wezen, verschenen één jaar na Rituelen, waarvan het verhaal overigens oorspronkelijk deel uitmaakte. Hier wordt een intrigerend spel gespeeld, niet alleen met de tijd, maar ook met de literatuur. De vertelde handeling speelt zich af in Sofia in 1879, in de tijd van de vrijheidsoorlog van Bulgarije tegen de Turken, maar tegelijk wordt in het boek het verhaal verteld dat zich afspeelt in Amsterdam honderd jaar later, in 1979, waarin de schrijver van het verhaal uit 1879 in discussie gaat met een bevriende schrijver over het hoe en het waarom van het schrijven, en de betrokkenheid van de verteller bij zijn verhaal. De vraag is 'waarom er nog een verzonnen werkelijkheid aan de bestaande moet worden toegevoegd' (p. 35). De tragiek van Nootebooms helden lijkt te zijn dat ze met al hun oog voor de verzonnen, gefotografeerde of herinnerde werkelijkheid, het 'wezen' van de bestaande werkelijkheid over het hoofd zien. Dat wezen lijkt veelal iets met vrouwen te maken te hebben: 'Vrouwen, alle vrouwen, waren een middel om dichterbij te komen, in de buurt, in de straling van het geheim waarvan ze de beheersters waren en de mannen niet'. Een Nooteboompersonage kijkt echter steeds om, als een echte Orpheus, en verliest daarmee zijn vrouw en dus de toegang tot 'het geheim'. De - tragische - liefde is een ingrediënt dat zelden ontbreekt, zoals in het tedere verhaal over een Nederlandse fotograaf die verliefd is op een Japans model in Mokusei! (1982).

Een liefdespaar speelt ook de hoofdrol in In Nederland (1984), gebaseerd op 'De Sneeuwkoningin' van Hans Christian Andersen. Op die basis ontwikkelt zich een liefdesverhaal tussen een volmaakt mooie jongen met zwarte haren en een volmaakt mooi meisje met goudblonde haren, beiden uit het Noorden, die naar het Zuiden moeten gaan om te werken. Ook hier komt de verteller nadrukkelijk op de voorgrond, met vragen bijvoorbeeld over hoe de notie 'volmaaktheid' en 'geluk' kan worden beschreven. Volgens J.M. Coetzee is dit een 'klassieke' roman - op basis van de Engelse vertaling uit 1997 schreef hij een recensie in The New York Review of Books. De nobelprijswinnaar merkt op dat de romanschrijver-verteller praktisch niet meer te onderscheiden is van Nooteboom zelf. Waar hij tegen het eind van het boek 'in een debat over waarheid en fictie verwikkeld [raakt] met de schimmen van Plato, Milan Kundera en Hans Christian Andersen' stelt de verteller de vraag waarom hij 'zo'n onweerstaanbaar verlangen [heeft] om te fictionaliseren, om leugens te vertellen'. Het antwoord van Andersen is: 'Uit ongeluk'. En die voegt eraan toe: 'maar je bent niet ongelukkig genoeg. Daarom kun je het niet. Het is ook nog een kunst'. Waarop Kundera deze suggestie doet: 'Waarom schrijf je geen romans [...] daar kun je een werkelijkheid liegen' (p.142). Coetzee noemt het antwoord van Andersen 'the most penetrating of the insights', de meest indringende vorm van zelfinzicht in een roman die, net als de rest van Nootebooms fictie, 'evenzeer gaat over zijn eigen processen en raisons d'être als over de fictieve activiteiten van zijn personages'. Want, zo legt hij uit, 'ondanks kronkelingen van zelfreflectie die bij een andere schrijver (Samuel Beckett, bijvoorbeeld) aanleiding zouden geven voor vertwijfeling van de geest, wekken Nooteboom en zijn vleesgeworden vertellers de indruk te zeer thuis te zijn in de wereld om werkelijk te lijden' (p. 200).

'Thuis in de wereld': het is een mooie karakteristiek die de romanschrijver en de schrijver van reisverhalen verbindt. Reizen en schrijven over reizen vormen geen aparte fases in het schrijverschap van Nooteboom: reisverhalen zijn in de loop van de tijd een integrerend deel uit gaan maken van zijn oeuvre. Nooteboom heeft aan het genre van het reisverhaal een nieuwe invulling gegeven, zodat, in het geheel van het reisproza, sprake kan zijn van een genre apart. 'Een reiziger ben ik, die op weg was naar rust', zo luidt de slotregel van het gedicht 'Reiziger' in de bundel Aas uit 1982, opgedragen aan vriend Hugo Claus. Het nieuwe genre dat Nooteboom creëert, is een beschouwing waarin niet zozeer het reizen op zich centraal staat als wel het nadenken over verschillen en gelijkenissen in de diverse culturen. Het bespiegelende karakter overheerst de verslaggeving. De reizende Nooteboom is een personage in zijn werk. Maar het reisboek laat tevens ruimte voor kunstkritiek en filosoferen over het landschap. In De omweg naar Santiago (1992) is een kritische reiziger aan het woord die in zijn geliefde Spanje op zoek gaat naar de schilders Velásquez en Zurbarán, maar evenzeer een zoektocht onder-neemt naar het oude, oorspronkelijke Spanje, waarin de mensen nog in armoe leefden op het platteland maar wel in eenheid met de natuur. De essayist heeft zich van de journalist verwijderd. De poëzie was vanaf het begin van Nootebooms schrijverscarrière een essentieel onderdeel van zijn oeuvre. Een geprivilegieerd onderdeel zelfs. Poëzie vertegenwoordigt voor hem zelf het 'ascetische, meditatieve deel' van wat hij doet. Herman de Coninck heeft de poëzie van Nooteboom omschreven als een wereld waaruit de dichter als persoon wil verdwijnen. Het landschap is hier onherbergzaam, beheerst door elementaire natuurelementen en dito beelden: vuur en water, ijs en lucht, maar ook rotsen. Het zijn de elementen waar de mens zich aan meet, maar die de mens lijken uit te sluiten. Vooral de zee beklemtoont telkens weer de eindeloze herhalingen en de cyclische bewegingen van de tijd. In de natuur kan het wezen even betrapt worden. Zo ontstaat een volmaakt in zichzelf rustend stemmingsgedicht als 'Augustus' (Zo kon het zijn, 1999) dat een moment van tijdloosheid oproept. Hier heeft de reiziger rust gevonden:

Zo stil kan een nacht niet zijn.
Alles staat gebald in zijn wezen,
vol tot de rand met zichzelf.

De palm kent de inhoud van elk
van zijn bladeren, de zwijgende uil
wordt zijn veren, de steen is zo zwaar
als een steen.

Het blad van de hemel wordt niet
omgeslagen, en ik zie wat jij ziet:
de sterren zijn samen
het volmaakte getal van hun cijfers,
de hemelse nul
van de tijd.

'Ik zie wat jij ziet': schijn valt samen met wezen - dat blijkt alleen mogelijk bij een steen, een uil of de hemel. In de literatuur ligt het anders: jij ziet niet wat ik zie - geen lezer ziet hetzelfde. Zodat de Nooteboom die we in het bovenstaande geschetst hebben misschien onze Nooteboom is, en hopelijk ook een beetje úw Nooteboom, maar waarschijnlijk niet de Nooteboom van een IJslandse tiener, of van een Japanse huisvrouw (om maar een paar van de landen te noemen waar hij gelezen wordt). Toch zijn het al die Nootebooms die we hebben willen eren met de Prijs der Nederlandse Letteren - die van iedere lezer. En vooral die van u.

De jury van de Prijs der Nederlandse Letteren 2009 bestond uit:
Anne Marie Musschoot (voorzitter)
Marion Bloem
Yra van Dijk
Dirk De Geest
Ismène Krishnadath
Herman Pleij
Mark Schaevers