Prijs der Nederlandse Letteren.

Dankwoord

Goedemiddag Majesteit,
Goedemiddag beste familie en vrienden, geacht publiek,

Lang geleden, een bliksemflits, maar lang geleden hebben mensen spelenderwijs en streng hun best gedaan om mij te leren spreken, en als ik aandachtig luister doen zij dat nog steeds. Ik vond het als kind blijkbaar de moeite waard hun woorden in de mond te nemen en zo verstaanbaar mogelijk aan hen terug te geven. Ik kreeg woorden en hele zinnen cadeau, en door mijn al dan niet aangeboren verlangen om te leren spreken schonk ik die woorden en zinnen terug. Dat is, als ik daar even bij stilsta, als ik daar een leven lang bij stilsta, een wonderlijke handeling, want zo bekeken is ieder woord formeel een dankwoord.

Danken is overigens etymologisch afgeleid van denken. Er vindt in alle spreken spontaan of bewust en gewild of ongewild een dankzegging plaats.
Wie meent hier het fluweel te horen van een poëtische tong, is te kwader trouw. Een dichter bijvoorbeeld dankt al schrijvend impliciet of expliciet de anderen door wie en van wie hijzelf en zijn taal zijn gemaakt. Hij componeert zijn werk onder de koepel van wie hem zijn voorgegaan, ook al keert hij zich tegen die lange traditie. Wat hij ook doet, want schrijven is doen, is net zo fysiek als daadwerkelijk handelen, wat hij ook doet, in geen enkel geval ontsnapt hij aan de mond en de beet, de hand en de greep van wie hem leerden spreken en schrijven.

Wie spreekt neemt automatisch een ander in de mond. Een ander houdt mijn hand vast nu ik dit schrijf.
Wie spreekt en schrijft is altijd aan het danken, en vaak dus, nogmaals, tegen wil en dank. Want danken is moeilijk. Je vraagt niet om cadeaus en je verwacht ze niet meteen, tenzij die cadeaus je eigen gedichten zijn. En vaak ben je bang, ten onrechte trouwens,, al dankend de trots van je persoonlijke verdienste te verliezen. En altijd ben je bang al dankend iets of iemand over te slaan.

Danken is moeilijk. Een eerbetuiging is een geschenk dat verplichtingen schept, en soms is een cadeau een vergiftigde gift. Paul Valéry gaat nog verder en zegt: "Chaque louange est une gifle à l'orgueil." Ik vertaal: "Elke lofzang is een oorvijg voor de hoogmoed."

Danken is moeilijk. Danken is een kunst. Je weet niet bij wie of bij wat te beginnen, zelfs je sterfbed kan een dankbetuiging zijn. Is danken dan een uiting van beschaving? Ik weet het nog zo niet. Ook een hond begint te kwispelstaarten of sonoor te blaffen als je zijn doos met brokken uit de kast neemt. En soms bezit een trotse boer geen talent voor dankbaarheid en is hij jaloers op het paard dat zijn kar trekt.

Danken is moeilijk. Voor wie er zich toe zet is gauw het einde zoek. Aan wie en wat is een dichter schatplichtig? Op die vraag is heel zijn werk een antwoord, evident of cryptisch, maar een antwoord. En dat antwoord vindt ook deels zijn oorsprong in een hoogstpersoonlijke mythe die zich traag een weg moet banen in de taal van iedereen. Met die mythe doel ik op het van huis uit meegekregen melodische en ritmische verhaal, een latente muziek. Dat klinkt mysterieus. Dat is ook mysterieus, want die muziek is de specifieke gave, de singuliere gift, het gekregen gegeven van een lichaam dat ouder is dan ons bewustzijn en waarmee u en ik het moeten doen. Die muziek is wat Baudelaire noemt 'l'expérience innée', de ingeschapen, aangeboren ervaring. Wij komen nu eenmaal ter wereld met een bepaalde genetische set. Die set is deels de bril waardoor wij de wereld bekijken. Mijn ogen en oren zijn immers ouder dan mijn grootvader. Die aangeboren ervaring moet uit haar verborgenheid treden als wij willen worden wat wij zijn.

Danken is moeilijk. Danken is een kunst. Maar hier nu word ik hopelijk liefdevol onderworpen aan de regels van de republiek der letteren, aan de wetten van het hof, aan de hoffelijkheid en de plezierige plicht van een vandaag wel heel concreet geworden dankwoord. Normaal gezien zit ik op vrijdag 30 november 2012 's middags alleen in een kamer en regisseer ik zelf de boel. Ik ben het al meer dan veertig jaar gewend nauwlettend mijn eigen protocol te volgen. Een kunstenaar is dag en nacht de ceremoniemeester van zijn eigen banaliteiten en plechtigheden. Hij beseft al jong dat als hij zichzelf en de mensen iets te bieden wil hebben, hij dagelijks de mensen moet verlaten. Hij zondert zich dagelijks van de mensen af om iets te maken en zodoende zijn plaats te vinden onder die zelfde mensen. Hij geeft de woorden, de muziek en de beelden die hij van u heeft gekregen, op zijn manier aan u terug. Hij maakt van u zichzelf en geeft zich terug aan u. De dank die u, leden van de jury en bij uitbreiding u die hier vandaag in deze zaal aanwezig bent, de dank die u mij zegt, zeg ik u terug. Ik maak van deze gelegenheid gebruik om uitdrukkelijk ook mijn dank te betuigen aan het Nederlands Letterenfonds en het Vlaams Fonds voor de Letteren. En in mijn dankzegging wil ik hier ook mijn uitgever Querido betrekken die al meer dan vijfentwintig jaar mijn werk voortreffelijk behartigt.

Danken is moeilijk omdat het zich richt tot u allen. En, nogmaals, als u dat danken beschouwt als de praat van een fluwelen tong, verdenk ik u opnieuw van kwade trouw. De nep en het inzicht, de sneer en de kus, de shit en de schoonheid, ik heb het allemaal van u gekregen, zelfs dit lijf en zijn Nederlands heb ik van u gekregen, ik geef het u allemaal anders terug in mijn werk.

Dat heet dan dank voor dank. Dat heeft, voor mij althans, iets feestelijks. Het feest is ook de titel van een reeks gedichten die ik meer dan een kwarteeuw geleden heb geschreven. Ik lees u het eerste, het telt maar acht verzen, de flessen en glazen staan klaar.

Het feest

Laten we drinken omdat er niets te vieren valt
Dan dat we bleven leven om mekaar te bezoeken.
Het is een feest dat jij vandaag niet bent gestorven.
Het is een feest dat hij geen degelijke wortels had
Maar benen om te komen naar mijn huis van ons.
Het is een feest dat zij haar eenzaamheid kan geven
Aan het muzikale oor dat deze kamer is geworden.
Laten we drinken zonder andere reden dan wij.

Leonard Nolens