Prijs der Nederlandse Letteren.

Dankwoord

Sire, Majesteit, leden van jury, vrienden en vriendinnen,

Men schrijft niet om prijzen te winnen. Maar als dit toch gebeurt, dan ervaar je dit als een kers op de taart, en in het geval van deze prijs, de prijs van de Nederlands-Belgische Taalunie, als een wel bijzonder dikke, grote kers, waaronder de taart nog net niet bezwijkt. Ik ben bijzonder dankbaar voor deze onderscheiding die ik beschouw als de kroon op mijn werk.

Het versterkt me in de wil en het geloof dat ik tot mijn dood toe zal doorschrijven. Op deze feestelijke gelegenheid is het misschien niet wenselijk om gewag te maken van de dood. Maar als ik over de dood spreek heb ik het ook over het leven want dat is onlosmakelijk aan de dood verbonden.

Bovendien geeft het mij het excuus om dit dankwoord af te sluiten met een gedicht, het laatste gedicht uit mijn pas verschenen bundel poëtische notities, getiteld Verloop van Leven.

'Wat zal ik zien
mijn laatste ogenblik op aarde?
het gezicht van mijn geliefde?

Wat zal ik horen?
De fluistering van haar stem?
De laatste tik van de monitor?

Wat zal ik horen en zien?
De lippen van de verpleegster?
Het kuchje van de dokter?

Horen en zien zullen me vergaan
als de rukwind van de dood
me van mijn adem berooft.

En mijn woorden?
De wind zal ze meevoeren
en over de aarde verspreiden.'