Judith Herzberg

2018
Judith
Herzberg

Mijn vader had een lang uur zitten zwijgen bij mijn bed.
Toen hij zijn hoed had opgezet
zei ik, nou dit gesprek
Is makkelijk te resumeren.
Nee, zei hij, nee toch niet,
Je moet het maar eens proberen.

‘Ziekenbezoek’ uit Beemdgras (1968)

De poëzie van Herzberg is hartverscheurend eenvoudig en is juist daardoor complex. Haar precieze observaties uit het dagelijks leven leggen iets essentieels van het menselijk verkeer bloot. Haar werk kan zich meten met dat van Nobelprijswinnares Wisława Szymborska. Haar toon is altijd natuurlijk, alsof het ter plekke allemaal door iemand bedacht wordt. Zo natuurlijk dat die alleen maar het gevolg kan zijn van een enorme beheersing van taal en vorm, van techniek. Die beheersing blijkt ook uit de manier waarop ze klank gebruikt. Haar taal nadert de muziek. Haar toneel was baanbrekend in de jaren tachtig. Leedvermaak heeft een onuitwisbare indruk gemaakt door de schijnbaar luchthartige manier waarop zij het zwijgen over oorlogservaringen verwoordt.

(Citaat van de jury van de Prijs der Nederlandse Letteren 2018

Lees verder

Toespraak Koning Willem-Alexander

Toespraak van Zijne Majesteit Koning Willem-Alexander bij de uitreiking van de Prijs der Nederlandse Letteren aan Judith Herzberg, Koninklijk Paleis Amsterdam, 29 november 2018

Mevrouw Herzberg, dames en heren,

Drie maanden geleden was ik hier in Amsterdam op werkbezoek bij het Meertens Instituut, een onderdeel van het KNAW ‘Humanities Cluster‘.
In goed Nederlands: het samenwerkingsverband van geesteswetenschappen.

Ik sprak daar onder anderen met dr. Folgert Karsdorp. Hij houdt zich bezig met de vraag of robots literatuur kunnen maken. En of wij als lezers ritmische rapteksten die niet door een mens maar door een robot zijn gemaakt, kunnen herkennen.
Daar is zelfs een wetenschappelijke test voor ontwikkeld: de MC Turing Test.
Aan die herkenningstest werd ik onderworpen.
De uitkomst was dat ik ietsje beter scoorde dan de gemiddelde bezoeker van Lowlands…

Of dit geruststellend is of niet, laat ik graag in het midden…

Feit is dat het me plezier doet om de Prijs der Nederlandse Letteren die aan u is toegekend, Mevrouw Herzberg, zo dadelijk aan u te mogen uitreiken.

U bent geen liefhebber van psychologische en biografische beschouwingen ter verklaring van uw werk. Interviews met u zijn dan ook schaars.

U laat zichzelf op andere manieren kennen. Bijvoorbeeld in de jaren zeventig, toen u in Den Haag een poëziewerkgroep begeleidde en uw ervaringen optekende in een boekje. Een gedicht moet voor zichzelf spreken. “Als we weten wat er voor persoonlijks achter zit, kunnen we het als lezers niet meer beoordelen”, schreef u.

Gedichten maken is ploeteren. De kladjes van één gedicht vormen bij u met gemak een kilo papier.

Waarom toch dat verbeten zoeken naar de juiste woorden? Waarom eindeloos schikken, schaven en schrappen?

U heeft hierop zelf een helder antwoord gegeven. Schrijven is voor u ‘een hommage aan de wereld’. Het wezen van uw werk is de voortdurende poging om ‘zo ver mogelijk af te raken van de cliché’s die ons het uitzicht belemmeren’.

U bent wars van uiterlijk vertoon, poeha en conventies. ‘Trek het echte onder het puin van het verplichte uit’, is een regel die u typeert (hij komt uit uw bundel Dagrest).

Sinds uw debuut, 55 jaar geleden, volgt u uw eigen pad.
U maakt geen deel uit van een literaire stroming of groep. U bent ongebonden.
Een kunstenaar zonder vlag of manifest.
Autonoom. Ongeveinsd. Ontregelend. Als het moet tegen de draad in.

In uw lange leven heeft u veel meegemaakt en veel gezien. Als kind in en vlak na de oorlog heeft u ervaren hoe menselijke verhoudingen uit het lood kunnen raken.
U heeft de mensen scherp geobserveerd, in hun zwaktes en hun kracht, hun onverschilligheid en hun zorgzaamheid, hun beperkingen en hun grootsheid.

Weinigen hebben hun observaties zo in literatuur kunnen omzetten als u. Niet alleen uw gedichten, maar zeer zeker ook uw toneelwerk en uw filmscenario’s getuigen daarvan.

Wat uw werk nog extra bijzonder maakt, is uw voorliefde voor het jonge en het nieuwe. U werkt graag samen met jonge theatermakers. De Theatertroep hebben we eerder vanmiddag zien optreden.

U laat zich ook graag inspireren door nieuwe invloeden die het Nederlands verrijken. De bloemrijke taal van nieuwe Nederlanders met een Arabische achtergrond vindt u prachtig.

Uw werk is een viering van onze taal. Tegen Ischa Meijer zei u ooit: “Ik ben me bewust van de rijkdom, de diepte, de concreetheid en de beeldende kracht van het Nederlands”.

Maar dat onze taal die mooie kwalificaties verdient, is te danken aan mensen als u.
U laat zien hoeveel zeggingskracht het Nederlands kan hebben.

In deze tijd dat de Nederlandse Taal en Cultuur in ons land minder studenten trekt dan in vroegere jaren, blijft uw werk nieuwe inspiratie bieden.

Nog even terug naar de literatuurrobot. Ik weet niet hoe de liefhebbers van de letterkunde in deze zaal daarover denken. Maar ik kan het wel een beetje raden…

In deze tijd van oprukkende algoritmes geef ik daarom graag het laatste woord aan een dichter van vlees en bloed.
Ik citeer graag een gedicht van u, Mevrouw Herzberg, uit een van uw recentere bundels: ‘Het Vrolijkt’, uit 2008.

Alleen die titel al zou een robot niet zo snel verzinnen.

Het gedicht heet ‘Park‘.

Wat jammer dat we zoveel mooie woorden
laten liggen, veronachtzamen, verwaar-
lozen, zoals bijvoorbeeld het woord 'laven'.
Wie laaft zich nog, waaraan?
We hebben het begrip laten verslonzen.
Ha ha! 'zich aan de stilte laven'
Zo zou je nog de kalme schoonheid
en de rust vergeten die parken
zonder opsmuk ons ooit gaven.

Mevrouw Herzberg, ik weet dat u weinig opheeft met eerbewijzen.
In uw eigen woorden:

Roem is gedoe
en eer nog veel meer.

Maar toch wil ik u heel graag uitnodigen naar voren te komen, opdat ik u de Prijs der Nederlandse Letteren 2018 die u door de jury is toegekend kan uitreiken.

Toespraak minister Ingrid van Engelshoven

Toespraak van minister Ingrid van Engelshoven bij de uitreiking van de Prijs der Nederlandse Letteren aan Judith Herzberg, 29 november 2018.

Majesteit,
Geachte aanwezigen,

Mevrouw Herzberg,

‘Ik denk heel vaak:
Kon ik dit of dat maar verschaffen
voor iemand die het graag wil.
Af en toe schrijf ik dat dan op.
En af en toe ook niet.
Meestal niet.
Dat heeft te maken met andere dingen die ik dan moet doen.
Moet ik nog schoonmaken?
Moet ik niet gauw even koken voordat het bederft?
Of een of andere rekening betalen?
Of mijn bureau opruimen?
Dingen doornemen die ik toegestuurd krijg?

Je moet er wel even voor gaan zitten, geloof ik.
Voor een gedicht.
Dat is het enige.’

Het is een passage uit de documentaire ‘Bijna Nooit’.
U vertelt daarin over uw werkwijze.
U vertelt het heel precies. Heel beeldend.
Heel lichtvoetig ook. Alsof het niet zo veel voorstelt.

U vertelt het eigenlijk net zoals u dicht.

In een beperkt aantal eenvoudige, toegankelijke zinnen roept u een beeld op dat veel meer omvat dan die woorden alleen.

En dan kan het zo zijn dat de schijn van lichtvoetigheid bedriegt.
Want zo eenvoudig is het schrijven niet.
‘Het is soms als een vuist ballen in je hoofd’, zegt u erover.
En soms is het ook ongrijpbaar.
Dan moet u het hebben van de ‘bijvangst’, zoals de titel van een van uw bundels luidt.
Dan zit u een hele tijd te ploeteren op een idee dat niets wordt en krijgt u als toegift een idee dat wél leidt tot een gedicht.

Het is de magie van taal.
Een wonder dat soms gebeurt, door de selectie en schikking van woorden.

U beheerst die magie als geen ander.
In uw gedichten, uw proza en uw toneelstukken.
Daarmee vertel ik niets nieuws.
Want u ontving zo’n beetje alle prijzen die er zijn:

de Jan Campert-prijs,
de Joost van den Vondel-prijs,
de Nederlands-Vlaamse Toneelschrijfprijs,
de Constantijn Huygens-prijs,
de PC Hooftprijs,
en nog veel meer.
En nu dan de Prijs der Nederlandse Letteren.
De belangrijkste literaire oeuvreprijs uit het Nederlands taalgebied.

Maar wat misschien wel net zo belangrijk is als de waardering van degenen die prijzen toekennen, is dat u lezers weet te bereiken.
Ook met uw poëzie.

‘Beemdgras’,
’27 liefdesliedjes’,
‘Doen en Laten’,
Drie bundels die meer dan tienmaal zijn herdrukt.
Dat betekent dat mensen uw werk blijven lezen.
In een tijd van ontlezing is dat een heel bijzondere verdienste.
Een verdienste die verder reikt dan de literatuur.
Want om uw woorden te kunnen volgen, moeten uw lezers een beroep doen op hun voorstellingsvermogen.
Ze ontwikkelen hierdoor empathie.
En hoe meer mensen dat doen, des te beter leven wij samen.

Mevrouw Herzberg,

In 1963 debuteerde u met de bundel ‘Zeepost’.
De Prijs der Nederlandse Letteren was toen driemaal uitgereikt: aan Herman Teirlinck, aan Adriaan Roland Holst en aan Stijn Streuvels.
Daarna volgden er nog achttien laureaten.
Zestien mannen… en twee vrouwen.
Na Christine d’Haen – in 1992 – en Hella Haasse – in 2004 – bent u de derde.

Ik zou graag eindigen met een gedicht uit het begin,
uit ‘Zeepost’ – gewoon omdat ik het zo mooi vind.
Het heet ‘Moed’.

‘De nacht heeft mij weer van mijn apropos gebracht,
Langzaam loopt de ochtend vol
Met woorden die ik zeker weet
Dat iets betekenden, maar wat?
Gisteren iets betekenden.

Lopen is op voeten balanceren,
Op straat zie ik de warme wezens
Die ook de onbegrijpelijke moed
Hebben gehad om op te staan
In plaats van niet.

Nooit is iemand zeker van iets,
Te worden geliefd, te worden verlaten
Alles kan en alles mag
Alles wisselt elkaar af.

Nu weet ik weer wat ik zeggen wou:
Zolang het niet te ongelukkig maakt
Is het een leuk gevoel. Maar eigenlijk
Zijn wij zacht als Turkish Delight
In een blik met spijkers.’

Dank u wel.

Biografie

Judith Frieda Lina Herzberg werd op 4 november 1934 in Amsterdam geboren. Haar (joodse) vader, Abel Herzberg (1893-1989), was jurist en schrijver. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef ze op verschillende onderduikadressen, onder andere in Groningen. Haar vader overleefde het concentratiekamp Bergen Belsen. Herzberg trouwde jong en was op haar 21ste moeder van twee kinderen. Haar kinderen zijn de aangesprokenen in de titels van Abel J. Herzbergs Brieven aan mijn kleinzoon (1975) en Brief aan mijn kleindochter (1996).

Sinds 1983 woont ze, met een nieuwe levensgezel, afwisselend in Amsterdam en Israël. In 1986 was ze enkele maanden gastschrijver aan de Universiteit van Leiden, met als taak het begeleiden van drie werkgroepen studenten bij het schrijven van poëzie, toneel en filmscenario’s.

Herzberg laat zich niet vaak interviewen en als ze het al doet, laat ze bijna niets los over haar privéleven en de interpretatie van haar gedichten.

bron: Uittrekselbank NBD Biblion

Hoofdlijnen werk

Herzbergs oeuvre omvat dichtbundels, toneelstukken, teksten voor muziektheater, televisiespelen, operateksten, filmscenario’s, vertalingen en bewerkingen.

Haar eerste dichtbundel was Zeepost (1963). Daarna volgde nog een groot aantal bundels, waarvan de titels vaak naar iets eenvoudigs, vluchtigs, onbeduidends of vergankelijks verwijzen. Bijvoorbeeld naar een grassoort die bijna overal voorkomt (Beemdgras, 1968), lastige beestjes (Vliegen, 1970), schuin vallend licht (Strijklicht, 1971), het laatste restje van de dag (Dagrest, 1984) of kleine visjes en andere diertjes die bij een vangst per ongeluk in het visnet terechtkomen (Bijvangst, 1999). Ook is het opvallend dat de meeste titels uit twee lettergrepen bestaan, een beklemtoonde gevolgd door een onbeklemtoonde.

Herzberg ontleent de stof van haar poëzie aan de dagelijkse werkelijkheid en aan haar eigen gevoelsleven. Ze schrijft geen poëzie met een boodschap of een bepaald idee, maar brengt het gewone onder de aandacht en opent daarmee het zicht op het ongewone, raadselachtige of verborgene. Alles kan voor haar aanleiding voor een gedicht zijn. Door de werkelijkheid nauwkeurig te observeren, wil ze het inzicht in de eigen persoon en de wereld verdiepen. Ze heeft veel oog voor details en probeert dingen die schijnbaar niets met elkaar te maken hebben toch met elkaar te verbinden. ‘Mijn gedichten komen voort uit mijn poging twee dingen, die op het eerste gezicht geen verband lijken te hebben met elkaar, toch te rijmen’, schreef ze in een essay over haar eigen werk in 1976. Een mooi voorbeeld daarvan is het gedicht ‘Boomchirurg’, waarin het snoeien van een tak in verband gebracht wordt met een (mogelijke) hersenoperatie: BOOMCHIRURG

Boomchirurg noemde hij zich, en met zijn motorzaag
zat hij boven in mijn boom toen jij je fiets
tegen het hek aan zette. Altijd en van nature
tegen snoeien zei je alleen: ‘zo zo’ – en ik zag
dat er iets met je aan de hand was.
‘Ik geloof dat er iets in mij groeit dat er niet hoort.’
Op dat moment viel er een tak zodat het dak
van het schuurtje brak. Ik rende weg
en ’s nachts wist ik pas hoe dat voor je was –
en braken zorgen bij me uit die niet te stuiten
waren over het ooit als we elkaar verliezen
en hoe we vóór het zover komt dom
zullen redderen, en pas wanneer het kraken
echt vervaarlijk wordt, hulpvaardig
de verkeerde kant opdraven.

(uit: Botshol)

Herzberg verstaat de kunst om gewone dingen ongewoon te maken door ze te isoleren.

Op het eerste gezicht schrijft ze toegankelijke poëzie. Ze laat echter veel aan de lezer zelf over, moedigt hem aan om zelf goed te kijken naar de werkelijkheid. In haar gedichten wisselen aanvaarding en afwijzing van het leven elkaar af. Haar poëzie ‘slingert tussen aanhoudende angst voor chaos en geweld en anderzijds een vitaliteit of opgewektheid waarmee dit zo achteloos kan worden opgeschreven’ (Maarten Doorman, NRC Handelsblad, 19 maart 1999). Het besef van de nietigheid van de mens en de vergankelijkheid van het leven leidt tot melancholie of tot bitterheid. Maar Herzbergs speelse humor relativeert vaak weer de ernst en de tragiek.

Opmerkelijke facetten van de stijl die Herzberg in haar gedichten hanteert, zijn onder meer het gebruik van omgangstaal (geen mooie formuleringen, heel weinig beeldspraak), de verrassende combinaties van woorden, het weglaten van woorden of zinsdelen (elliptische zinnen), de binnenrijmen en de gedachtesprongen. Een voorbeeld:

SPREEUW

Had niets te beweren
te klein voor veren
te nat om bruin te heten
en snavel dicht
ook tegen eten.

Maar werd een hoogst
warmpotig geleerde
specialistisch geïnteresseerde
zeehondgeveerde
vetervereerder.

Frivoolkelige imitator
een parel-bespetterde
wezel, een vliegende
ongeletterde triomfator.

(uit: Strijklicht)

De jury van de haar in 1997 toegekende P.C. Hooftprijs karakteriseerde haar poëzie als volgt: ‘Judith Herzberg maakt geraffineerd gebruik van klank, van rijm dat ze onregelmatig gebruikt en vaak ook vermomt als binnenrijm, van ellipsen en onverwachte accenten. Ze heeft een niet meer weg te denken dichterlijke stem, een karakteristieke en verbazingwekkende blik, met opbeurende regels. Judith Herzberg heeft als geen ander oog voor het allergewoonste en een melodieuze taal die bedrieglijk op spreektaal lijkt. Die combineert ze met heel ongewone waarnemingen en met een ongegeneerd voorstellingsvermogen.’

Door haar gedichten te lezen, ga je als lezer de werkelijkheid anders ervaren, het ongewone van het gewone zien:

ZIEKENBEZOEK

Mijn vader had een lang uur zitten zwijgen bij mijn bed.
zei ik, nou, dit gesprek
is makkelijk te resumeren.
Nee, zei hij, nee toch niet,
je moet het maar eens proberen.

(uit: Beemdgras)

HIERO EN DAARO

Er zijn ook mensen
die nooit een foto zouden vouwen
maar wel opeens, en overtuigd,
de overbuur in stukken houwen.

(uit: Bijvangst)

In 2011 verscheen Klaagliedjes, een dichtbundel met gedichten geïnspireerd door de Klaagliederen van Jeremia. 40 jaar eerder publiceerde Herzberg 27 liefdesliedjes, een bewerking van het Bijbelse Hooglied. De bundels passen zowel thematisch als vormtechnisch bij elkaar, al is Klaagliedjes veel losser verbonden met de Bijbelteksten. Klaagliedjes gaat over een weduwe die terugblikt op haar verleden en de dood van haar geliefde.

Ook in Liever brieven (2013) staat verlies centraal. Al klinkt deze gedichtenbundel volgens Luuk Gruwez (De Standaard, 21 maart 2014) een stuk minder bitter. Volgens hem is Herzberg ‘opnieuw meer begaan met de spelmogelijkheden van de taal, is veel ironischer, bij momenten zelfs humoristisch (…)’.

Tussen haar eerste dichtbundel en haar laatste zijn geen wezenlijke verschillen: ze blijft over het algemeen steeds zichzelf, handhaaft haar toon van eigenzinnigheid en weerbarstigheid.

Begin jaren zeventig ging Herzberg zich ook met toneel bezighouden. Haar eerste toneelstuk, Crancky box, werd in 1971 opgevoerd. Een hoogtepunt in haar toneelwerk is het muziektheaterstuk Leedvermaak, dat voor het eerst werd opgevoerd door toneelgroep Baal in 1982. Het stuk – eerste deel van een toneeltrilogie – bestaat uit 99 fragmenten en gaat over onverwerkt oorlogs- en concentratiekampleed. De gesprekken die de personages tijdens een bruiloftsreceptie voeren, zijn oppervlakkig omdat niemand zijn of haar diepste gevoelens durft te tonen, uit angst voor een totale geestelijke instorting. Uit het stuk wordt duidelijk dat mensen elkaar in wezen niet kunnen helpen en geen band met elkaar kunnen aangaan als gevolg van de nawerking van de oorlog. Leedvermaak werd bekroond met de Prijs van de Kritiek 1981-1982 en met de Charlotte Köhlerprijs 1988. Frans Weisz verfilmde het stuk in 1989.

In het tweede deel van de trilogie, Rijgdraad (1995), traden dezelfde acteurs op als in Leedvermaak. Centrale gebeurtenis is dit keer de viering van een veertigjarig huwelijksfeest. Frans Weisz verfilmde het stuk onder de titel Qui vive (première in februari 2002). Het derde deel, Simon (2002) schreef Herzberg in opdracht van het Schauspielhaus in Düsseldorf. Ze wilde dit stuk aanvankelijk over euthanasie laten gaan, maar het thema werd uiteindelijk de vraag: sta je op een andere manier tegenover de dood als je zelf bijna dood bent gemaakt (zoals overlevenden van concentratiekampen is overkomen)? Achtergrond van het stuk is opnieuw de Tweede Wereldoorlog.

In het toneelstuk En/of (1985) staat een driehoeksverhouding centraal tussen een man, zijn echtgenote en zijn vriendin. Het lijkt of alles is toegestaan, maar in werkelijkheid is de driehoeksrelatie gebaseerd op het veinzen van gevoelens. In de kameropera Merg (1986) is het thema donorschap: een man is bereid donor te zijn voor zijn zieke broer, maar zijn vrouw is het daar niet mee eens, omdat haar niets gevraagd is.

Herzberg schreef ook verschillende filmscenario’s. Veel indruk maakte Charlotte (1981), een film van Frans Weisz over de schilderes Charlotte Salomon, die in 1917 in Berlijn werd geboren en in 1943 om het leven kwam in concentratiekamp Auschwitz.

Daarnaast bewerkte zij Stravinsky’s ‘sprookje’ L’Histoire du Soldat voor het Groningse dansgenootschap Club Guy & Roni waarbij zij de tekst herschreef naar eigen inzicht en alleen de personages en het motief van de soldaat die terugkeert uit de oorlog handhaafde (NRC Handelsblad, 16 januari 2013).

Herzbergs gedichten en toneelwerk vertonen een thematische eenheid, hoe verschillend de motieven ook zijn die erin voorkomen. In beide genres gaat het om het verkennen van de gevoelswereld en om het onderzoeken van levensmogelijkheden (hoe wil ik leven? is zorgeloos leven wel mogelijk?). In een recensie van de dichtbundel Bijvangst zei de eerdergenoemde Maarten Doorman het zo: ‘Herzbergs poëzie is vooral sterk op het gebied van laat ik zeggen de gevoelshuishouding. Dit maakt haar toneel ook zo overtuigend, en de, vaak als dialoog verklede, monologen in haar poëzie’ (NRC Handelsblad, 19 maart 1999).

Haar werk werd diverse keren bekroond. In 1981 kreeg ze de Jan Campertprijs voor de bundel Botshol, in 1984 de Joost van den Vondelprijs (van de universiteit van Munster), in 1994 de Constantijn Huygensprijs en in 1997 de P.C. Hooftprijs voor haar hele oeuvre.

Net als de schrijvers rond het ‘tijdschrift voor teksten’ Barbarber (1958-1971) gaat Herzberg uit van de gewone, alledaagse werkelijkheid en gebruikt ze in veel gedichten op geheel eigen wijze citaten van gesproken en geschreven taal (‘ready mades’). Ook vertoont ze verwantschap met de Tirade-dichters (onder anderen Jan Emmens, Dick Hillenius en Rutger Kopland) die – als reactie op de uitbundige lyriek van de Vijftigers of Experimentelen – eveneens de nadruk leggen op het gewone woord, de ongedwongen spreektoon (‘parlando’-taal).

bron: Uittrekselbank NBD Biblion

Bibliografie

  • 1963 Zeepost (dichtbundel). G.A. van Oorschot.
  • 1968 Beemdgras (dichtbundel). G.A. van Oorschot.
  • 1970 Vliegen (dichtbundel). Thomas Rap.
  • 1971 Strijklicht (dichtbundel). G.A. van Oorschot.
  • 1971 27 Liefdesliedjes (dichtbundel). Thomas Rap.
  • 1974 Dat het ’s ochtends ochtend wordt. De deur stond open. Twee toneelstukken. De Harmonie.
  • 1977 Het maken van gedichten en het praten daarover (essay). BZZTôH.
  • 1980 Botshol (dichtbundel). G.A. van Oorschot.
  • 1981 Charlotte: dagboek bij een film. De Harmonie.
  • 1982 Leedvermaak (toneelstuk). Baal/De Harmonie. In 1997 verschenen in één uitgave met Rijgdraad en in 2002 in één uitgave met Rijgdraad en Simon.
  • 1983 De val van Icarus (libretto). Sub Signo Libelli.
  • 1984 Dagrest (dichtbundel). G.A. van Oorschot.
  • 1984 Twintig gedichten (bloemlezing). Atalanta Pers.
  • 1985 En/of (toneelstuk). Baal/De Harmonie.
  • 1986 Merg (kameropera). International Theatre Bookshop/De Salon.
  • 1986 De kleine zeemeermin (toneelstuk). De Harmonie.
  • 1987 Zoals (dichtbundel). De Harmonie. In 1992 verscheen een uitgebreide uitgave.
  • 1988 De caracal : een monoloog van Judith Herzberg (toneeltekst). International Theatre Bookshop.
  • 1988 Tussen Amsterdam en Tel Aviv: artikelen en brieven. Van Gennep.
  • 1989 Kras (toneelstuk). International Theatre Bookshop; Toneelgroep Amsterdam.
  • 1991 Teksten voor toneel en film 1972-1988. International Theatre & Film Books/De Harmonie.
  • 1991 Een goed hoofd (toneelstuk). International Theatre & Film Books; Orkater.
  • 1994 De zoen tussen Flotsam en Jetsam (dichtbundel). Augustijn Pers.
  • 1994 Doen en laten : een keuze uit de gedichten. Muntinga.
  • 1995 Rijgdraad (toneelstuk). International Theatre & Film Books; Toneelgroep Amsterdam. In 1997 verschenen in één uitgave met Leedvermaak en in 2002 in één uitgave met Leedvermaak en Simon.
  • 1996 Wat zij wilde schilderen (dichtbundel). De Harmonie.
  • 1996 Brief aan wie hier niet is: tussen Jeruzalem en Amsterdam (brieven). Van Gennep.
  • 1998 Landschap (dichtbundel). Herik.
  • 1998 Een golem (toneelstuk, gebaseerd op Der Goilem van Leivick). it fb.
  • 1999 Bijvangst (dichtbundel). De Harmonie.
  • 2000 Lieve Arthur (toneelstuk). Het Toneelhuis.
  • 2001 Laika (jeugdboek). De Harmonie; Clavis.
  • 2001 Staalkaart (dichtbundel). Poetry International; De Harmonie. Uitgave ter gelegenheid van de tweede Landelijke Gedichtendag.
  • 2002 Leedvermaak, Rijgdraad, Simon (toneel). International Theatre & Film Books; De Harmonie.
  • 2003 Weet je wat ik ook nooit weet (dichtbundel). De Harmonie.
  • 2004 Soms vaak (dichtbundel). De Harmonie.
  • 2005 Negentien toneelstukken. International Theatre & Film Books; De Harmonie.
  • 2008 Het vrolijkt (dichtbundel). De Harmonie.
  • 2011 Klaagliedjes (dichtbundel). De Harmonie.
  • 2013 Liever brieven (dichtbundel). De Harmonie.

Geluidsopnames

  • 1997 Het vertelde (compact disc). De Harmonie. Door Herzberg voorgelezen gedichten uit de bundels Zoals en Wat zij wilde schilderen.
  • 2007 Zijtak (compact disc). De Harmonie. Door Herzberg voorgelezen gedichten uit de bundels

Verfilmingen

  • 1989 Leedvermaak / regie Frans Weisz. Gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk.
  • 2002 Qui vive / regie Frans Weisz. Gebaseerd op het toneelstuk Rijgdraad. Vervolg op Leedvermaak.

Televisiespelen

  • 971 Een giraffe zijn is erger
  • 1976 Lieve Arthur

Filmscenario’s

  • 1975 Rooie Sien
  • 1977 Twee vrouwen
  • 1978 Een vrouw als Eva
  • 1979 Mevrouw Katrien
  • 1981 Charlotte
  • 1986 Langs lijnen van geleidelijkheid

Persbericht uitreiking

Persbericht bekendmaking